Laboratorium Clinical Genomics

Neuropathieën

Dunnevezel-neuropathie (DVN)

Dunnevezel-neuropathie is een autosomaal dominante aandoening die gekarakteriseerd wordt door roodheid van -en brandende pijn in handen en voeten, droge mond en ogen, abnormaal zweten en darm- en erectieproblemen. De eerste klachten van dunnevezel-neuropathie worden meestal opgemerkt op volwassen leeftijd. Dunnevezel-neuropathie kan voorkomen bij verschillende aandoeningen, bijv. suikerziekte, alcoholmisbruik, tekort of juist teveel aan bepaalde vitaminen, erfelijke neuropathieën. In de literatuur wordt de genetische vorm van dunnevezel-neuropathie geassocieerd met “gain-of-function” mutaties in de natriumkanaal genen, SCN9A, SCN10A en SCN11A (1-3).

Congenitale ongevoeligheid voor pijn (CIP)

Congenitale ongevoeligheid voor pijn is een autosomaal recessieve aandoening die gekarakteriseerd wordt door een gebrek aan pijngewaarwording. De patiënt is vanaf de geboorte ongevoelig voor pijn. In de literatuur wordt dit ziektebeeld geassocieerd met “loss-of-function” mutaties in het SCN9A (4) en SCN11A gen (5).

Primaire erythermalgia (PE)

Primaire erythermalgia (PE) is een autosomaal dominante aandoening die gekarakteriseerd wordt door roodheid, vasodilatatie en brandende pijn in de voeten en onderbenen. Ernstig aangedane patiënten vertonen ook klachten aan de handen, armen, het gezicht en/of de oren. De klachten ontstaan meestal na inspanning of blootstelling aan warmte. De eerste symptomen van primaire erythermalgia openbaren zich doorgaans tijdens de kinderleeftijd. De ernst van de aandoening kan naarmate men ouder wordt verergeren. In de literatuur wordt dit ziektebeeld geassocieerd met “gain-of-function” mutaties in het SCN9A gen (4).

Paroxysmale extreme pijn aandoening (PEPD)

Paroxysmale extreme pijn aandoening (PEPD) is een autosomaal dominante aandoening die gekarakteriseerd wordt door ondraaglijke pijn van de submandibulaire, oculaire en rectale gebieden met roodheid van de omliggende huid. PEPD presenteert zich met vier pijnlijke episodes; de geboorte crisis (rood- en stijfheid bij de geboorte), de rectale crisis (rectale pijn bij zuigelingen en jonge kinderen), de oculaire crisis (brandende pijn en roodheid, van ogen en omringende huid) en de mandibulaire crisis (roodheid van de omringende huid, huilen en loopneus). In de literatuur wordt dit ziektebeeld geassocieerd met “gain-of-function” mutaties in het SCN9A gen (4).

Mutaties in SCN-genen

Als een patiënt een afwijking heeft in een SCN-gen, functioneert het natriumkanaal niet goed. Bij dunnevezel-neuropathie, primaire erythermalgia en paroxysmale extreme pijn aandoening duren pijnprikkels langer en zijn pijnprikkels vaak heftiger van aard. Hierdoor hebben patiënten met een SCN-afwijking vaak last van brandende, prikkelende of schietende pijnen. Bij congenitale ongevoeligheid voor pijn ervaart een patiënt met afwijkingen in een SCN-gen geen pijn.

Aanvraagformulier Screening van SCN9A, SCN10A en SCN11A

Met behulp van DNA-onderzoek in het bloed kan vastgesteld worden of iemand deze erfelijke afwijking heeft in een SCN-gen. Voor de aanvraag van dit onderzoek kunt u gebruik maken van ons aanvraagformulier.

Referenties

  1. Faber et al. Gain of function Naν1.7 mutations in idiopathic small fiber neuropathy. Ann. Neurol. 2012; 71(1):26-39.
  2. Faber et al. Gain-of-function Nav1.8 mutations in painful neuropathy. Proc Natl Acad Sci U S A. 2012; 109(47):19444-9.
  3. Huang et al. Gain-of-function mutations in sodium channel Na(v)1.9 in painful neuropathy. Brain 2014; 137:1627-42.
  4. Drenth et al. Mutations in sodium-channel gene SCN9A cause a spectrum of human genetic pain disorders. J. Clin. Invest. 2007;117(12):3603-9.
  5. Woods et al. The phenotype of congenital insensitivity to pain due to the NaV1.9 variant p.L811P. Eur J Hum Genet. 2015, 23(5):561-3.